Met tal van tentoonstellingen herdenkt Nederland dit jaar het 350ste sterfjaar van Rembrandt.

Het Rijksmuseum in Amsterdam toont nog tot 10 juni “Alle Rembrandts”.
Het Mauritshuis exposeert tot 15 september zijn achttien werken van Rembrandt in “Rembrandt en het Mauritshuis”.
Ook het Teylers Museum put uit eigen collectie en toont tot 15 september “Rembrandts Wereld” met een vijftigtal van de mooiste landschapsetsen en -tekeningen van de meester en zijn omgeving.
In Londen is in het British Museum nog tot 4 augustus een kleine maar uitstekende tentoonstelling “Rembrandt: Thinking on Paper” te zien.
In het najaar volgt dan nog “Rembrandt-Velázquez” in het Rijksmuseum.
Bij de heropening van Museum De Lakenhal op 20 juni zal er in de nieuwe vaste opstelling aandacht worden besteed aan Rembrandt & De Gouden Eeuw, terwijl in samenwerking met het Ashmolean Museum in Oxford, van 2 november 2019 tot 9 februari 2020 de tentoonstelling Jonge Rembrandt 1624-1634 te zien zal zijn.

Louis_Royer-Rembrandt-Amsterdam

Beeld van Rembrandt te Amsterdam (1852)
door Louis Royer (1793 – 1868)

Veel van de getoonde werken van Rembrandt zijn ons bekend: van koektrommels, uit schoolboeken, tijdschriften en misschien zelfs wel van museumbezoek. Rembrandt maakt ontegenzeggelijk deel uit van ons nationale collectieve bewustzijn.

Na de afscheiding van België uit het Koninkrijk der Nederlanden in 1830 ontstond er de behoefte om uitdrukking te geven aan een nationale identiteit. Deze gevoelens concentreerden zich op de persoon van Rembrandt. Dat was één van onze invloedrijkste schilders die, onder andere door de verspreiding van zijn prentkunst, al bij leven tot buiten de landsgrenzen beroemd was. En de Belgen hadden Rubens.

De in Amsterdam woonachtige Belg Louis Royer (1793 – 1868), één van de oprichters van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti en Amicitiae in 1839, kreeg de opdracht om het standbeeld van Rembrandt te ontwerpen.
Het project werd gedragen door particulier initiatief. Na een bijna eindeloos traject van twaalf jaar werd in 1852 eindelijk het in ijzer gegoten standbeeld van Rembrandt in Amsterdam door de koning onthuld.

En zo staat Rembrandt daar, heden ten dage omgeven door een kitscherige compagnie van bronzen schutters. De Disneyficatie van Rembrandt die vanaf zijn sokkel neerkijkt op de toeristen. Natuurlijk kennen ze hem, Rembrandt is een household name, in één adem te noemen met de Nachtwacht. Maar kénnen ze hem werkelijk?

De Rembrandt die op een voetstuk was gezet werd geroemd als genie. De dramatische weergave van het licht in zijn schilderijen (en etsen), zijn onnavolgbaar vermogen om de “affecten”, de “gemoedsbewegingen” van de voorgestelde personen uit te drukken. Zijn werk gaf uitdrukking aan het “gemoedsleven van een groot mens”, zo schreef de kunsthistoricus van Regteren Altena nog in 1956, alsof iemands talent een waarborg is voor een nobele ziel.

In de afgelopen decennia heeft kunsthistorisch onderzoek dit beeld enigszins genuanceerd en is Rembrandt gelukkig weer meer tussen zijn tijdgenoten ingebed als een – weliswaar geniale – kunstenaar en een mens van vlees en bloed.

Marc Schreuder

Juni 2019